Burcht Eltz

850 jaar fascinerende geschiedenis

Burcht Eltz is het protoype van een Duitse ridderburcht. Zij bleef door de eeuwen heen voortdurend in familiebezit en is nooit verwoest. Haar geschiedenis is rijk aan mythen en bijzondere gebeurtenissen, belangrijke persoonlijkheden en grote kunst. Een korte beschrijving van de burcht met de belangrijkste jaartallen en feiten, maar ook vele interessante verhalen en gegevens:

9de tot 13de eeuw
De ontwikkeling van de middeleeuwse burchten die wij tegenwoordig bewonderen in al hun robuuste schoonheid begon in de 9de en 10de eeuw. Uit de tot dan toe met aarden wallen en palissaden beschermde herenhoven ontstonden met muren versterkte, beveiligde burchten. De bloeitijd van de burchtbouw was van de late 11de tot de 13de eeuw – de grote tijd van de Hohenstaufen-dynastie. In dit belangrijke tijdperk wordt de naam Eltz voor het eerst vermeld.

Het jaar 1157
Ruldolf von Eltz ondertekende en bezegelde in het jaar 1157 als een van de getuigen een schenkingsoorkonde van keizer Friedrich I Barbarossa. Hij woonde in het toen nog kleine burchtcomplex aan de Elzbach. Een gedeelte hiervan, waaronder de romaanse burchttoren Platt-Eltz en vier verdiepingen van het toenmalige romaanse Pallas (woongedeelte) zijn nog behouden gebleven in de huidige Kempenicher Huizen. Hiervan getuigen de oudste beschilderde schoorsteen van het land en een nieuw ontdekte, eveneens beschilderde, romaanse vensterboog.

Burcht Eltz onstond op een strategisch gunstige plaats: Zij werd gebouwd aan een weg, die de Moezel – van oudsher een van de belangrijkste handelsroutes van het Duitse Rijk – met de Eifel en het vruchtbare Maifeld verbond.

Het bouwwerk en zijn omgeving vormen een harmonische eenheid: Aan drie zijden omgeven door de Elzbach, rijst de vesting tevoorschijn op een tot 70 m. hoge elliptische rots. De architectuur van het bouwwerk is afgestemd op de natuurlijke omgeving. Dit resulteerde in de bijzondere vormgeving van een aantal ruimtes.

Het jaar 1268
Nog voor het jaar 1268 ontstond er een familiebreuk tussen de gebroeders Elias, Wilhelm en Theoderich met als gevolg ook een opsplitsing van de burcht en de daaraan toebehorende landerijen. Voortaan was burcht Eltz een "Ganerbenburg", een burcht waarin de verschillende takken van de familie Eltz in gemeenschap samenleefden.

De jaren 1300 en 1311
De woontoren die tegenwoordig "Klein Rodendorf" genoemd wordt, ten noorden van het oude Pallas, werd vermoedelijk tussen 1290 en 1300 gebouwd voor Theoderich zu Eltz "mit den Büffelhörnern" ("met de buffelhoorns").

Johann zu Eltz "mit dem weiβen Löwen" ("met de witte leeuw"), zoon van Wilhelm, bouwde omstreeks 1311 voor zijn tak van de familie "mit dem weiβen Löwen" de eerste vijf verdiepingen van de woontoren die tegenwoordig "Rübenacher Huis" wordt genoemd.

1331-1336
In de zogenaamde "Eltzer Fehde" ("Eltzer vete") boden de Eltzer families weerstand aan de expansiepolitiek van de aartsbisschop van Trier, Balduin von Luxemburg, in een verbond met de naburige ridderfamilies. In 1331 volgde de eerste gedocumenteerde kanonaanval ten noorden van de Alpen. Toen deze aanval zonder gevolg bleef, werd het belegeringsfort Trutzeltz gebouwd. Hiervandaan werd burcht Eltz jarenlang belegerd met behulp van katapulten en blijden. De ruïnes van dit fort zijn vandaag de dag nog te zien. In 1336 gaven de heren Zu Eltz zich over. Aangezien ten gevolge van deze belegering de meeste versterkingen van de burcht geslecht moesten worden, bleef burcht Eltz slechts nog een versterkt wooncomplex. Dit is echter door de eeuwen heen niet verwoest. Dat er na de "Eltzer Fehde" geen militaire acties meer plaatsvonden op burcht Eltz, is te danken aan een bedreven familiepolitiek, slimme diplomatie en af en toe de steun van buren.

Het jaar 1472
In 1442 werden de bovenste twee verdiepingen en het huidige dak op het Rübenacher Huis geplaatst. Het noordelijke trappenhuis was pas af in 1444. De prachtige wandschilderingen van dit aan de westzijde van de burcht gelegen huis werden voltooid in 1472 onder Lancelot en Wilhelm vom Silbernen Löwen ("van de zilveren leeuw"). De naam Eltz-Rübenach vindt overigens zijn oorsprong in het landgoed Rübenach bij Koblenz, een familiebezit dat Richard vom Silbernen Löwen ("van de zilveren leeuw") in 1277 verworven had.

Met zijn veelhoekige vakwerktorentjes, de eenvoudige, op twee basaltzuilen rustende erker boven de ingang en de fraaie laatgotische kapelerker kenmerkt het Rübenacher Huis de architectonische variëteit van de binnenplaats van de burcht.

1490-1540
Tussen 1470 en 1520 werd het Groot Rodendorfer Huis gebouwd. Het oudste gedeelte uit circa 1470 is de vlaggenkamer met haar weelderige laatgotische netgewelf. Deze kamer was oorspronkelijk een kapel. Daarboven werden nog vier verdiepingen gebouwd. Aan de kant van de binnenplaats is een gewelfde entreehal gebouwd, rustend op drie pilaren. De naam Eltz-Rodendorf vindt zijn oorsprong in het huwelijk tussen Hans Adolf zu Eltz met Katharine von Brandscheid zu Rodendorf in 1563. Door deze verbintenis verwierf Hans Adolf heerschappij over Rodendorf (Châteaurouge) in het Lotharinger district Bouzonville, waarnaar hij en zijn nakomelingen zich sindsdien noemden.

1510-1581
Het huis Eltz maakte voornamelijk furore in de keurstaten Mainz en Trier. Iedere generatie bracht een aantal familieleden voort die een geestelijk ambt bekleedden. Alleen al in het aartsbisdom Trier werden in 400 jaar meer dan 70 prelaten en nonnen voortgebracht, waarvan de in 1510 geboren Jakob zu Eltz de bekendste is. Hij was een van de belangrijkste keurvorsten in de geschiedenis van het aartsbisdom Trier en bekleedde tijdens zijn leven vele belangrijke ambten: Na zijn studie in Leuven werd Jakob zu Eltz op 15 september 1525 eerst domheer van Trier en daarna werd hij op 13 oktober 1547 domdeken. Vanaf 1546 was hij ook rector aan de universiteit van Trier. In 1567 werd hij tenslotte door het domkapittel van Koblenz verkozen tot aartsbisschop en keurvorst.

Jakob zu Eltz gold als een van de sterkste voorvechters van de contrareformatie en vond zijn belangrijkste bondgenoten in de Jezuïeten. Omdat Trier destijds in handen van de Lutheranen en de Calvinisten was, regeerde hij de langste tijd vanuit zijn residentie in de buurt van Wittlich. Pas na 13 jaar lukte het Jakob na ontelbare onderhandelingen en uiteindelijk met wapengeweld om zijn residentie in Trier in te betrekken. Op 27 mei 1580 huldigde de stad Trier de keurvorst op de hoofdmarkt en zwoer hem trouw en gehoorzaamheid. Jakob zu Eltz overleed op 4 juni 1581.

1604-1661
Tussen 1604 en 1661 werden het romaanse Pallas en zijn bijgebouwen verhoogd met één tot drie verdiepingen van voornamelijk vakwerk. Deze uitbreiding is van invloed op de zuidoostelijke gedeelten van de burcht die tegenwoordig bekend staan als de Kempenicher Huizen. Door hun architectonische compositie en hun goed gestructureerde vakwerkconstructie maken zij de schilderachtige totaalindruk van de binnenplaats compleet. Een regenput onder de imposante trappentoren voorzag de hele burcht van water.

De hoofdingang van de Kempenicher Huizen werd beschermd door een poortgang waarboven een erkerkamer is. De poortgang is gebouwd op twee achthoekige basaltpilaren die door een rondboog verbonden zijn. De inscripties op de rondboog, "BORGTORN Eltz 1604" en "ELTZ-MERCY" verwijzen naar de datum waarop de bouw begon en naar de leden van de familie Eltz die destijds opdracht gaven tot de modernisering en uitbreiding van het romaanse burchthuis.

Door de 30-jarige oorlog werden de bouwactiviteiten onderbroken. Zij werden pas hervat en voltooid door Hans Jakob zu Eltz en zijn echtgenote Anna Elisabeth von Metzenhausen. De sluitstenen van het kruisgewelf van de poortgang (1651) met de wapens van de families Eltz en Metzenhausen herinneren daar nog aan. Ook het luisterrijke vroegbarokke alliantiewapen uit 1661 verwijst naar deze bouwperiode. Dit wapen is gegraveerd in geelachtig zandsteen en bevindt zich onder het middelste raam van de erker. Hetzelfde wapen bevindt zich op de gietijzeren raamroosters van de Kempenicher benedenzaal en op een wapenschild aan de binnenplaats.

De totale bouwgeschiedenis van de burcht strekte zich uit over meer dan 500 jaar. In de architectuur van burcht Eltz worden alle stijlrichtingen van de romantiek tot de vroegbarok verenigd tot een harmonisch geheel. Zo ontwikkelde de burcht zich tot een "Randhausburg" met acht dicht aan de binnenplaats gelegen woontorens. In de meer dan 100 burchtkamers leefden meer dan 100 familieleden met ook nog ongeveer evenzoveel bedienden.

1624
Ook Hans Jakob zu Eltz bekleedde een belangrijke positie in the keurstaat Trier. Op 15 juli 1624 verleende de keurvorst hem de positie van "Erbmarschall" ("erfmaarschalk"). Hierdoor verkregen hij en zijn nakomelingen het opperbevel ten tijde van oorlog en de leiding over alle Trierse ridders.

1665-1743
De familie Eltz verkreeg haar grootste politieke invloed ten tijde van Philipp Karl zu Eltz, keurvorst van Mainz en aartskanselier van het Heilige Roomse Rijk der Duitse Natie. De in 1665 geboren Philipp Karl trad in 1686 toe tot het Duits-Hongaarse College in Rome. In 1719 – bij de verkiezing van Georg von Schönborn tot keurvorst van Trier – vertegenwoordigde hij als domcantor van Mainz en aartsdiaken van Trier de keizerlijke belangen. Tegelijkertijd was hij domheer in Mainz en Trier.

Na de dood van de keurvorst van Mainz werd Philipp Karl zu Eltz unaniem als zijn opvolger gekozen. Philipp Karl was daarmee een geestelijk leider en de machtigste kerkvorst ten noorden van de Alpen. Als rijksaartskanselier leidde hij later de rijksdag in Regensburg en fungeerde hij daar als de hoogste rijksvorst in rang, direct na de keizer. Zijn belangrijkste succes bestond uit de doorvoering van de zogenaamde "Pragmatische Sanktion" ("Pragmatische Sanctie"), die het mogelijk maakte dat de aartshertogin en latere keizerin Maria Theresia de volledige Habsburgse nalatenschap erfde, hoewel het Salische rijksrecht niet in vrouwelijke erfopvolging voorzag.

Gedurende bijna zijn hele regeringstijd vertegenwoordigde Philipp Karl de belangen van Karl VI uit het Habsburgse Huis. Hij vormde samen met de keurstaten Hannover en Trier een eenheid tegen Beieren. Maar in 1742 kwam het tot een breuk met het Habsburgse Huis. De oorzaak hiervan lag in de verkiezing van de keizer waarbij Philipp Karl – niet in de laatste plaats onder enorme druk van Beieren en Frankrijk – gedwongen was te kiezen voor de Wittelsbacher Karl Albrecht, de latere Karl VII. Dit werd hem door de Habsburgers als verraad aangerekend. Philipp Karl leed onder dit besluit tot aan zijn dood in 1743.

1688-1689
Während des Pfälzischen Erbfolgekrieges von 1688 bis 1689 wurde ein Großteil der rheinischen Burgen zerstört. In dieser Zeit spielte Hans Anton zu Eltz-Üttingen eine wichtige Rolle bei der Erhaltung der Burg Eltz. Da er im französischen Heer als hoher Offizier diente, gelang es ihm, die Burg aus deren offiziellen Liste der zu zerstörenden Gebäude zu eliminieren. Gegen den "inoffiziellen" Raubzug der französischen Soldateska in Richtung Burg Eltz half indes nur der beherzte Einsatz und die List der Müdener Bürger, die diese Marodeure in ein reifes Kornfeld lockten und jenes zusammen mit den ungebetenen Gästen verbrannten.

1733
Op grond van hun verdiensten in de chaos van de reformatie en in de Turkse Oorlogen werd de familie Eltz vom Goldenen Löwen ("van de gouden leeuw") door keizer Karl VI verheven tot de rijksgravenstand in Wenen in 1733. Bovendien verleende hij de familie Eltz het "groβes Palatinat" ("groot palatinaat" of "groot paltsgraafschap"), het privilege om in de naam van de keizer notarissen te kiezen, onechtelijke kinderen te legaliseren, burgers wapens met schild- en helmsieraad te verlenen, rijksrechters en rijkssecretarissen te benoemen, lijfeigenen vrij te laten en nog veel meer.

1736
Het grondbezit van het huis was omvangrijk, voornamelijk in de keurstaten Trier en Mainz. Hun belangrijkste grondgebied lag echter aan de Donau in het Kroatische Oost-Slavonië. Daar verwierf de familie Eltz in 1736 heerschappij over Vukovar. Hier was het hoofdverblijf van de graven Von und Zu Eltz tot zij daar gewelddadig werden verdreven in 1944.

1794-1815
Tijdens de Franse bezetting van het Rijngebied van 1794 tot 1815 behandelde men graaf Hugo Philipp zu Eltz als emigrant. Zijn landgoed aan de Rijn en in de buurt van Trier werd geconfisqueerd. Hij werd zelfs "burger graaf Eltz" genoemd. Burcht Eltz en het daarbij behorende landgoed werden onder het militaire gezag in Koblenz geplaatst. Later bleek dat graaf Hugo Philipp niet geëmigreerd was, maar in Mainz gebleven was. Dus kwam hij in 1797 weer terug om van zijn landgoed en de daarbij behorende inkomsten te profiteren. In 1815 kocht graaf Hugo Philipp het Rübenacher Huis en het landgoed van de baronnen Von Eltz-Rübenach. Omdat de lijn Eltz-Rodendorf was uitgestorven en hun aandeel al 1786 in het bezit was gekomen van de lijn Eltz-Kempenich, was graaf Hugo Philipp nu nog de enige eigenaar van burcht Eltz.

1845-1888
In de 19de eeuw, in de periode van de romantiek en de herleefde interesse voor de middeleeuwen, spande graaf Karl zu Eltz zich ten zeerste in voor de restauratie van de burcht van zijn voorouders. Omvangrijke werkzaamheden werden verricht tussen 1845 en 1888. Aan deze restauratie spendeerde hij het aanzienlijke bedrag van 184 000 mark. Dit is vergelijkbaar met een bedrag rond 15 miljoen euro in onze tijd. Bij de restauratie ging graaf Karl zu Eltz zeer zorgvuldig te werk. Hij had veel kennis van zaken en ging heel behoedzaam om met de bestaande architectuur. In tegenstelling tot vergelijkbare projecten in de 19de eeuw voerde hij geen wezenlijke veranderingen door, maar werd de burcht vakkundig gerestaureerd. Deze werkwijze wordt vandaag de dag nog steeds geprezen door deskundige toeschouwers.

1976-1982
Tussen 1976 en 1982 hebben graaf Jakob en gravin Ladislaja zu Eltz de gedeeltelijk zeer ernstig beschadigde muren van de burcht opnieuw gepleisterd en verstevigd met behulp van zogenaamde "ABM-Maßnahmen", werkgelegenheidsverruimende maatregelen ten tijde van hoge werkeloosheid.

1990-1998
Jakob Graf zu Eltz was na de wederoprichting van de Kroatische staat in 1990 tussen 1991 en 1998 lid van het Kroatische parlement, de Commissie buitenlandse zaken en de Raad van Europa. Jakob zu Eltz werd als eerste lid van het huis Eltz benoemd in de Orde van het Gulden Vlies. Hij stierf in 2006.

Burcht Eltz vandaag de dag
Tussen 2009 en 2012 is de burcht grondig gerenoveerd met behulp van het "Konjunkturprogramm II" (een programma om de Duitse economie te stimuleren) en de Duitse Monumentenzorg. Aangetaste constructies, beschadigde daken en vakwerkconstructies zijn gerepareerd en de verouderde technische voorzieningen van het Rodendorfer en het Kempenicher Huis zijn vernieuwd. Daarnaast is ook het dak van Platt-Eltz vervangen.